Er was eens, nog voor de tijd van Chin (222-206 voor Christus) en Han, een opperhoofd van een holengebied, die door de inboorlingen opperhoofd Wu werd genoemd. Hij huwde twee vrouwen, van wie er een stierf en hem een dochtertje naliet, genaamd Yeh Shen. Zij was zeer intelligent en handig in het bewerken van goud en haar vader hield erg veel van haar. Toen deze stierf, werd zijn slecht behandeld door haar stiefmoeder, die haar dikwijls dwong hout te hakken en haar naar gevaarlijke plaatsen zond om water te putten uit diepe bronnen.
Op een zekere dag ving Yeh Shen een visje dat iets langer was dan vijf centimeter, met rode vinnen en gouden ogen; zij nam het visje mee naar huis en deed het in een vissenkom. Het groeide en groeide bij de dag en weldra was de kom er te klein voor. Toen liet zij de vis zwemmen in de vijver achter de woning. Yeh Shen was gewend hem te voeden met wat zij van haar eigen eten bewaarde. Als zijn bij de vijver kwam, zwom de vis naar de oppervlakte en legde zijn kop op de rand, doch als een ander aan de waterkant stond, verscheen hij niet.
Dit eigenaardige gedrag van de vis werd opgemerkt door de stiefmoeder, die dikwijls de wacht hield bij de vijver, doch nooit vertoonde de vis zich aan haar. Op een dag nam zij haar toevlucht tot een list. Ze zij tot het meisje:”Ben je niet moe van je werk? Ik zal je een nieuwe jurk geven.” Toen liet zij Yeh Shen haar oude kleding uittrekken en zond haar weg om water uit de put te halen die op enige honderden meters afstand lag. De stiefmoeder trok Yeh Shen haar jurk aan, en met een scherp mes in haar mouw verborgen, ging zij naar de vijver en riep de vis. Toen hij zijn kop boven het water uitstak, doodde zij hem. De vis was op dat moment meer dan drie meter lang en gekookt smaakte hij veel en veel beter dan welke andere vis ook. De stiefmoeder begroef de graten in een mesthoop.
Lees dit sprookje verder op mijn oude webpagina, Chinese Sprookjes.
